Skip to content
feb 21 / Natasja Oosterloo

Canyoning

Angstig kijk ik naar het kolkende water onder mij. Mijn voeten staan klem in een heel smal geultje. “Je moet in het midden springen en niet teveel naar links. Daar zit een rotsblok waar je niet op terecht wilt komen”, zegt de canyoningbegeleider nonchalant. Ik kijk hem aan, kijk weer naar het water en zie mezelf in gedachten al hard landen op precies dat rotsblok. Maar als ik niet met een reddingshelikopter de vallei uitgetakeld wil worden, eeuwige schaamte gegarandeerd, zal ik nu toch echt moeten springen. Eén, twee…

Ik ben gesprongen. En ik heb het rotsblok ontweken, ondanks dat ik geen flauw idee had waar ik precies sprong. Blij dat ik ook dit overleefd heb, glibber ik in een wetsuit verder. Over rotsblokken, door ijskoud water. En dat noemt zich vakantie… Als ik niet met Janneke naar het Gardameer in Italië was gegaan had ik nooit het fenomeen canyoning leren kennen en liep ik nu niet met een ultracharmant wetsuit door deze rivier.

De eerste helft was geweldig. Precies spannend genoeg, lekker klauteren, wat glijden hier en daar. Eitje. Bij de rustpauze had ik nog kunnen stoppen, er was een trap omhoog naar de weg. Maar nee, ben je gek! Door wil ik, door! Want ik voel me op dit moment stoer, een vrouw van de wereld, onoverwinnelijk! Ondanks de onheilspellende boodschap dat er geen mogelijkheid is om te stoppen als je op dit punt verder gaat. Nee, ik wil verder! Na de korte pauze daal ik dus, samen met Janneke, en net als de rest van de groep langzaam een steil wandje af om de rivier verder te volgen.

“Hou je hoofd goed naar achteren en je armen gekruist!” De jongen die eerder nog zo nonchalant was, moet nu moeite doen om boven het geraas van de rivier uit te komen. We moeten aan een touw door een soort stenen tunnel glijden, waarbij we ondertussen bedolven worden onder liters en liters snelstromend water. Fijn. Gelukkig is er hier geen waarschuwing voor gevaarlijke rotsblokken en met mijn hoofd zo ver naar achteren als ik kan, slinger ik door de geul. Ik kom terecht in een donkere grot, tot aan mijn middel in het water. Zodra de hele groep naar beneden gegleden is, waden we verder.

Het einde is in zicht. Voor ons doemt een groot gat in de rotsen op, waar het daglicht fel doorheen schijnt. Aangekomen bij het gat, tuur ik voorzichtig over de rand. Mijn hart zit meteen in mijn keel en ondanks het koude water, breekt het zweet me uit. We blijken bovenaan een waterval te staan, een waterval die zo’n 50 meter lager pas eindigt. En daar moeten we al abseilend vanaf. Janneke, die haar hand niet omdraait voor zo’n klusje, staat al glimlachend klaar om haar klimgordel aangemeten te krijgen. Ook ik word ingesnoerd en krijg instructies hoe ik van boven naar beneden moet komen. “Kan ik dit wel?”, “Weet je zeker dat ik dit kan?”, “Echt, zeker weten?” Ik ben er niet gerust op, ik zie mezelf al zwaaiend aan het touw te pletter slaan tegen de wand.

Ik kijk naar rechts, waar Janneke glimlachend langs de wand naar beneden gaat. Soepeltjes abseilt ze naar beneden. “Alles goed, mevrouw Oosterloo?” vraagt ze met een knipoog. Ik knik, terwijl ik de pijn in mijn kruis probeer te verbijten. Tijdens mijn tocht naar beneden ben ik uitgegleden op de spekgladde wand. En nu bungel ik hulpeloos aan het touw, terwijl de klimgordel venijnig in mijn onderlijf snijdt. Ik vraag me af hoe lang het duurt voordat ik weer fatsoenlijk naar de wc kan. En hoe lang de jongen boven het volhoudt om mij langzaam naar beneden te laten zakken.

Als we poseren voor de groepsfoto voor de 50 meter hoge wand, voel ik me meteen weer onoverwinnelijk. En ik besluit om ook nog maar even van die 8 meter hoge brug af te springen. Maar abseilen van een waterval. Dat nooit meer…

One Comment

Leave a comment
  1. Frank / feb 22 2012

    Je las mijn fotocomment al op Tweet, ,maar verder:
    erg leuk verhaal Natasja! Viel het achteraf nog mee met de verwondingen, of kon je echt een dag niet meer naar de wc?

Leave a comment